De avonturen van Kwibus en Mazzel
De Witte Wondervogels zeggen welterusten
Een zacht verhaaltje over Kwibus, Mazzel en de Witte Wondervogels,
die fluisteren in de avondlucht terwijl het erf langzaam stil wordt. 🌙

Het was avond op het erf.
De lucht werd zacht en blauw.
De bomen stonden stil.
Alleen de duiven waren nog wakker.
“Roe… roe… roe…”
klonk het hoog in de ren.
Mazzel spitste zijn oortjes.
Hij keek omhoog.
Nog eens.
“Roe… roe… roe…”
“Wat is dat?” piepte hij.
Kwibus lag al languit alsof hij alles al wist.
Met halfdichte ogen keek hij naar Mazzel.
“Dat,” zei Kwibus rustig,
“zijn de Witte Wondervogels.”
Mazzel keek met grote ogen omhoog.
“Wondervogels?”
Kwibus knikte langzaam.
“Ze fluisteren met de avond.”
Mazzel ging zitten.
Heel netjes voor één keer.
Boven hem schoven de witte duiven langs hun plekjes.
Zachtjes. Rustig.
Met kleine geluidjes.
Roe… roe…
Roef… roee…
Het klonk alsof de lucht zelf iets wilde vertellen.
Mazzel deed een stapje dichterbij.
Toen nog eentje.
En nog eentje.
“Denk je dat ze kunnen praten?” fluisterde hij.
Kwibus rekte zich uit.
“Misschien niet met woorden.”
“Maar wel met roe?” vroeg Mazzel.
“Ja,” zei Kwibus.
“Met roe.”
Mazzel vond dat een heel goed antwoord.
Een witte veer dwarrelde naar beneden.
Langzaam.
Wiep… wiep…
tot hij precies voor Mazzels neus landde.
Mazzel tikte ertegen.
Heel voorzichtig.
Toen nog een keer.
Iets minder voorzichtig.
De veer danste over de grond.
Kwibus keek toe alsof dit allemaal precies zo hoorde.
Boven hen werden de duiven stiller.
De avond werd donkerder.
Er kwam een kleine maan boven het erf.
Mazzel kroop dicht tegen Kwibus aan.
“Denk je dat ze vannacht blijven?” vroeg hij zacht.
Kwibus gaapte.
“De Witte Wondervogels horen bij de nacht.”
Mazzel keek nog één keer omhoog.
Naar de witte duiven.
Naar de zachte lucht.
Naar de veer op de grond.
Toen fluisterde hij:
“Welterusten, wondervogels.”
En hoog boven hem klonk nog één keer:
“Roe…”
Alsof ze terugfluisterden.
De Witte Wondervogels zeggen welterusten
Het was avond op het erf.
De lucht werd zacht en blauw.
De bomen stonden stil.
Alleen de duiven waren nog wakker.
“Roe… roe… roe…”
klonk het hoog in de ren.
Mazzel spitste zijn oortjes.
Hij keek omhoog.
Nog eens.
“Roe… roe… roe…”
“Wat is dat?” piepte hij.
Kwibus lag al languit alsof hij alles al wist.
Met halfdichte ogen keek hij naar Mazzel.
“Dat,” zei Kwibus rustig,
“zijn de Witte Wondervogels.”
Mazzel keek met grote ogen omhoog.
“Wondervogels?”
Kwibus knikte langzaam.
“Ze fluisteren met de avond.”
Mazzel ging zitten.
Heel netjes voor één keer.
Boven hem schoven de witte duiven langs hun plekjes.
Zachtjes. Rustig.
Met kleine geluidjes.
Roe… roe…
Roef… roee…
Het klonk alsof de lucht zelf iets wilde vertellen.
Mazzel deed een stapje dichterbij.
Toen nog eentje.
En nog eentje.
“Denk je dat ze kunnen praten?” fluisterde hij.
Kwibus rekte zich uit.
“Misschien niet met woorden.”
“Maar wel met roe?” vroeg Mazzel.
“Ja,” zei Kwibus.
“Met roe.”
Mazzel vond dat een heel goed antwoord.
Een witte veer dwarrelde naar beneden.
Langzaam.
Wiep… wiep…
tot hij precies voor Mazzels neus landde.
Mazzel tikte ertegen.
Heel voorzichtig.
Toen nog een keer.
Iets minder voorzichtig.
De veer danste over de grond.
Kwibus keek toe alsof dit allemaal precies zo hoorde.
Boven hen werden de duiven stiller.
De avond werd donkerder.
Er kwam een kleine maan boven het erf.
Mazzel kroop dicht tegen Kwibus aan.
“Denk je dat ze vannacht blijven?” vroeg hij zacht.
Kwibus gaapte.
“De Witte Wondervogels horen bij de nacht.”
Mazzel keek nog één keer omhoog.
Naar de witte duiven.
Naar de zachte lucht.
Naar de veer op de grond.
Toen fluisterde hij:
“Welterusten, wondervogels.”
En hoog boven hem klonk nog één keer:
“Roe…”
Alsof ze terugfluisterden.